Met de Oost-Indische kers op je bord geef je gerechten een lekker peperig smaakje maar ook vrolijkheid in je tuin of op je balkon. De Oost-Indische kers is, in tegenstelling wat de naam doet vermoeden, afkomstig uit Midden-Amerika. Het is makkelijke kruipende eenjarige plant die het prima doet op de arme grond van Drenthe. Elk voorjaar stop ik, op verschillende zonnige plekjes in mijn tuin, zaden in de volle grond en vanaf juli tot de eerste vorst kan ik dan genieten van de vele verschillende tinten geel tot donker oranjekleurige bloemen in de bloembedden en de moestuin.

Maar de Oost-Indische kers zaai ik niet alleen voor het oog. Want het is ook een eetbare plant met veel gebruiksmogelijkheden. De jonge blaadjes en de bloemen doen het goed in de sla. En de bloemen zijn ook heerlijk in zelfgemaakte verse kaasjes en ik gebruik ze als garnering bij desserts. Bovendien kun je de zaden inmaken in het zuur. Dan krijg je een soort peperig smakende kappertjes. Of droog de zaden en gebruik ze als vervanger van peperkorrels. Zo kun je op verschillende manieren genieten van Oost-Indische kers op je bord.

Ik maak mij er, wat inmaken van de zaden betreft, makkelijk af. Want ik gebruik vaak het azijnzuur dat overblijft van kant en klaar gekochte augurkjes. Met name het inmaakvocht van de kleine augurkjes die met rode peper zijn ingelegd is heel geschikt om de zaden in te leggen.

Oost-Indische kers kappertjes
Voor 1 potje

vers geplukte Oost-Indische kerszaden
1 potje inmaakvocht van zoetzure augurkjes

Was de zaden en dep ze droog met keukenpapier. Doe de zaden in het potje met inmaakvocht en bewaar het in de koelkast. Pluk telkens de dikke zaadbolletjes van de planten en voeg ze aan het zuur toe. Ga door tot het potje vol is. Na ongeveer 2 maanden zijn de zaden klaar om als kappertjes te gebruiken.

De kappertjes blijven in de koelkast zeker tot het volgend jaar goed!

Bereidingstijd: ± 5 minuten